Wie is...

De niet-specialist: Daniel Reuss en de ziel van het zingen

Hij dirigeert repertoire van de twaalfde eeuw tot vandaag, leidde koren in Amsterdam, Berlijn, Tallinn en Lausanne (en binnenkort Zagreb), en staat al meer dan dertig jaar aan het hoofd van Cappella Amsterdam. Een portret van een dirigent die muziek beschouwt als directe verbinding tussen stem en ziel.

achtergrond

Op 2 juli 1961 wordt Daniel Reuss geboren in Leiden. Zijn weg naar de koormuziek begint op zestienjarige leeftijd, wanneer hij voor het eerst zingt onder leiding van dirigent Bruno de Greeve bij het koor Audite Nova in Nijmegen. Die ervaring is een openbaring. “Dat wil ik ook,” denkt hij. Wat volgt is een strijd met zijn ouders, die zijn keuze voor het conservatorium aanvankelijk niet begrijpen. Maar hij weet dat hij koordirigent wil worden, dus Reuss zet door. Hij studeert koordirectie aan het Rotterdams Conservatorium, bij Barend Schuurman, een van de belangrijkste Nederlandse koorpedagogen van zijn generatie. 

Maar eerst zingt hij. Dat fundament, als zanger leren musiceren, luisteren en samenwerken, beschouwt hij als onmisbaar. “Als je direct begint met directie, mis je die context,” zegt hij. Op zijn eenentwintigste, in 1982, richt hij het Oude Muziek Koor Arnhem op. In die beginjaren dirigeert hij ook het vocale ensemble VENUS en later het Nederlands Studenten Kamerkoor. Tegelijkertijd reist hij op en neer naar Amsterdam om als zanger te repeteren met Cappella Amsterdam. Deze vroege jaren tekenen zijn manier van werken: breed, betrokken, en altijd gericht op de zangers vóór hem.

Daniel Reuss neemt de leiding van binnenuit

In 1990 neemt Reuss de artistieke leiding over van Cappella Amsterdam van oprichter Jan Boeke. De overdracht verloopt zonder formele selectieprocedure. Reuss kent het koor van binnenuit: hij heeft er zelf jarenlang als bas gezongen, niet met de ambitie om ooit te dirigeren, maar gewoon omdat hij het een geweldig koor vond. 

Het maakt dat hij niet als buitenstaander binnenkomt, maar als iemand die de cultuur van het ensemble al ademt. Wat hij als zanger heeft geleerd, namelijk het repertoire en het musiceren met en voor elkaar, draagt hij mee als dirigent. Boeke was wat etherischer in zijn benadering; Reuss laat, naar eigen zeggen, “wat lichamelijker zingen”. Een subtiele maar wezenlijke verschuiving.

Wat volgt, is een periode van gestage professionalisering. Cappella Amsterdam groeit uit van een projectensemble naar een professioneel kamerkoor. Het repertoire verbreedt zich aanzienlijk: naast vroege polyfonie en barok komt ook romantisch en hedendaags repertoire structureel op het programma. Reuss legt daarmee de artistieke identiteit vast waarmee het koor tot op de dag van vandaag wordt geassocieerd: een ongewoon breed historisch en stilistisch bereik, gedragen door één herkenbare klank. Het koor houdt met die klank de kamerkoor-traditie levend en vernieuwt haar tegelijk, en overbrugt zo stijlperiodes om mensen oprecht te raken met de menselijke stem.

“Zingen is de meest directe manier van musiceren. Met dit menselijk instrument leg je een directe verbinding tussen ‘de ziel’, laat ik het zo noemen, en wat er muzikaal gebeurt. Voor elkaar krijgen dat het ook zo klinkt. Dat zie ik als de mooiste kant van mijn vak.” 

Foto uit oude doos_Daniel dirigeert in 1987 Waalse Kerk_Margriet Agricola

Foto uit oude doos: Daniel dirigeert in 1987 in de Waalse Kerk, door Margriet Agricola

De overtuigde niet-specialist

Reuss omschrijft zichzelf als een “overtuigd niet-specialist”. Die zelfkarakterisering zegt veel over zijn artistieke positie. Hij weigert te kiezen voor een duidelijk afgebakende specialisatie (oude muziek óf hedendaags, symfonisch óf vocaal), dirigeert repertoire dat de twaalfde tot de eenentwintigste eeuw beslaat, en voelt zich thuis in muzikale universa die voor sommigen tegengesteld kunnen lijken.

Die breedte is geen eclecticisme maar een filosofie. Reuss ziet muziekgeschiedenis als een doorlopend gesprek: tussen componisten, tussen periodes, tussen uitvoerders en luisteraars. Dat gesprek vraagt om een dirigent die kan schakelen zonder zijn artistieke kern te verliezen. Het is trouwens precies wat critici en zangers consequent in hem herkennen: een verfijnd oor voor balans, intonatie en kleur, ongeacht het repertoire dat op de lessenaars ligt.

Berlijn, Tallinn, Lausanne

Naast zijn werk bij Cappella Amsterdam bekleedt Reuss tussen 2003 en 2006 het chef-dirigentschap van het RIAS Kammerchor in Berlijn, een van de meest gerenommeerde kamerkoren ter wereld. In de zomer van 2006 wordt hij door Pierre Boulez persoonlijk uitgenodigd om als docent en dirigent op te treden bij de Lucerne Festival Academy. Die uitnodiging is veelzeggend: Reuss is niet alleen een vakman in het vocale repertoire, maar een musicus wiens blik ver genoeg reikt om in elke context serieus te worden genomen. 

Van 2008 tot 2013 combineert hij zijn Amsterdamse functie met het chef-dirigentschap van het Estonian Philharmonic Chamber Choir in Tallinn. Die dubbele aanstelling resulteert in 2010 in een gezamenlijke cd-productie van Frank Martins Golgotha, die in hetzelfde jaar een Grammy-nominatie ontvangt voor beste kooruitvoering. Van 2015 tot 2020 is hij bovendien chef-dirigent van het Ensemble Vocal Lausanne in Zwitserland.

Daniel Reuss - chef-dirigent Cappella Amsterdam - Diederik Rooker

De existentiële crisis

In 2016 ontvangt Cappella Amsterdam een afwijzing van het Fonds Podiumkunsten. Voor Reuss is de schok immens: “Cappella is mijn levenswerk. Hij heeft immers ontzettend veel bijgedragen aan de professionalisering en het vergroten van internationale erkenning. Hij ziet dat in een klap dreigen te vervliegen.

“Verbaasd en verbijsterd,” omschrijft hij zijn reactie. Maar hij blijft strijdbaar. Wat volgt, is een periode van overleven dankzij brede steun: private fondsen, sterke zakelijke leiding en de enorme trouw van de zangers zelf. Cruciaal is ook de samenwerking met het Orkest van de Achttiende Eeuw, dat het koor met een reeks gezamenlijke concerten financieel helpt overeind te blijven. 

Op 2 november van datzelfde jaar, 2016, ontvangt Reuss de Ridderorde van de Nederlandse Leeuw, uitgereikt door de voorzitter van het Presidium van de Amsterdamse gemeenteraad. De staat erkent zijn uitzonderlijke verdiensten voor de Nederlandse muziekcultuur.

Uiteindelijk weet Cappella Amsterdam opnieuw op steun te rekenen.

Een levend organisme

Cappella Amsterdam is voor Reuss geen instelling maar een levend organisme: iets dat groeit, ademt en een eigen karakter heeft ontwikkeld. Dat karakter is niet vanzelf ontstaan. Reuss heeft er actief aan gebouwd: door zangers te zoeken die niet alleen technisch sterk zijn, maar ook bij de esthetiek en de cultuur van het ensemble passen. Mensen die durven meedenken, die iets teruggeven. Het resultaat is een koor met een onmiskenbaar eigen geluid en een herkenbare artistieke persoonlijkheid, ook wanneer het koor onder leiding van een andere dirigent zingt. 

Een discografie vol onderscheidingen

2004 Werken van Martin & Messiaen (RIAS Kammerchor) | Diapason d’or de l’année · Preis d. Deutschen Schallplattenkritik

2009 Lux Aeterna — Ligeti / Heppener (Cappella Amsterdam) | Diapason d’Or de l’année

2010 Golgotha — Frank Martin (Cappella Amsterdam & EPCC) | Grammy-nominatie

2013 Janáček Choral Works (Cappella Amsterdam) | Edison Klassiek · Diapason d’Or · Choc de Classica

2017 Kanon Pokajanen — Arvo Pärt (Cappella Amsterdam) | Edison Klassiek

2018 Ein deutsches Requiem — Brahms (Cappella Amsterdam & Orkest v/d Achttiende Eeuw) | VSCD Klassieke Muziekprijs

2024 Missa Sancti Georgii — Herman Finkers (Cappella Amsterdam & Holland Baroque) | Edison Klassiek Publieksprijs

2026 Stravinsky Late Works (Cappella Amsterdam & Noord Nederlands Orkest) | ★★★★★ The Guardian (UK) · ★★★★★ Leeuwarder Courant · Gramophone (UK) Editor’s Choice for February · BBC Music Magazine (UK) Choral Choice of the Month · Choc de Classica Award · German Record Critics’ Award · Diapason D’Or · Preis der Deutschen Schallplatten Kritik

Bestel onze albums

De mens achter de dirigent

Wie Reuss hoort spreken over zijn vak, merkt dat de grote abstracties hem minder boeien dan het concrete. Hij noemt liever een specifiek akkoord, een specifiek zangers-adem, een specifiek moment in een uitvoering. En hij zegt zonder omwegen dat hij graag een praatje maakt met de slager en de groenteboer, omdat die gesprekken hem dichter bij het leven brengen dan een theoretische discussie over historische uitvoeringspraktijk. Dat gronden in het alledaagse is geen pose, maar een manier om muziek niet los te laten drijven van de mensen voor wie ze klinkt.

Naast zijn uitvoeringswerk is Reuss verbonden aan het Conservatorium van Amsterdam als docent koordirectie, waar hij de volgende generatie dirigenten begeleidt. De overdracht van kennis, van meester naar leerling, en van koor naar publiek, lijkt hem net zo vanzelfsprekend als het dirigeren zelf.