Blog & nieuws

Stem in de storm: het onstuitbare koor

Cappella Amsterdam ontstond uit idealisme en groeide, dwars door wisselingen en crises heen, uit tot een koor met een uitgesproken artistieke signatuur en een blijvende drang tot vernieuwing. Het verhaal van een koor altijd hongerig naar meer. 

Musici met een missie

Begin jaren zeventig, ergens in Amsterdam, zingen een handvol zangers samen. Het zijn musici met een missie: de vocale polyfonie van Jan Pieterszoon Sweelinck een platform geven in een tijd waarin oude muziek een nieuwe herwaardering doormaakt. Jan Boeke is de initiatiefnemer, met Bernard Winsemius en Harry van der Kamp als vroege medestanders. Wat ze in 1970 beginnen, is klein, bevlogen, en nauwelijks geïnstitutionaliseerd. Wat eruit groeit, is een van de meest geprezen kamerkoren van Europa.

 

Het verhaal van Cappella Amsterdam is geen lineaire opgangslijn. Het is een verhaal van heruitvinding: van projectmatigheid naar professionalisme, van nationale niche naar internationaal podium, van structurele zekerheid naar existentiële crisis, én terug. Elk van die fasen laat een ander gezicht van het koor zien, maar één ding blijft constant: de overtuiging dat koormuziek iets levends is.

De wortels: Sweelinck en de renaissance van het oude

Cappella Amsterdam ontstaat in een bijzondere culturele periode. In de jaren zeventig vindt de historische uitvoeringspraktijk zijn weg naar een nieuw publiek. Ensembles die zich richten op vroege muziek schieten op als paddenstoelen, maar Cappella Amsterdam onderscheidt zich al vroeg door zijn focus op het Nederlandse erfgoed. Sweelinck is meer dan een programmakeuze: hij is een filosofische positie. Zijn muziek combineert helderheid, polyfone textuur en tekstexpressie op een manier die de jonge groep musici als artistiek ideaal omhelst.

In die eerste decennia is het koor wat men tegenwoordig een projectensemble zou noemen: losjes georganiseerd, gedreven door muzikale urgentie, meer dan door institutionele ambitie. Maar het artistieke niveau trekt aandacht, de reputatie groeit, en langzaam begint het ensemble steviger vorm te krijgen.

1990: een dirigent van binnenuit

Het beslissende keerpunt komt in 1990. Daniel Reuss, geboren in 1961 in Leiden, wordt aangesteld als artistiek leider. De overdracht verloopt zoals je bij een projectensemble verwacht, informeel: geen sollicitatieprocedure, geen commissie. De benoeming is een kwestie van wederzijds vertrouwen. Reuss kent het koor van binnenuit: hij heeft er zelf jaren als bas in gezongen. 

Reuss heeft een brede achtergrond. Hij studeerde koordirectie bij Barend Schuurman aan het Conservatorium van Rotterdam en richtte op zijn eenentwintigste het Oude Muziek Koor Arnhem op. Zijn aanpak is die van wat hij zelf een “overtuigd niet-specialist” noemt: hij dirigeert repertoire van de twaalfde eeuw tot hedendaagse werken, en voelt zich thuis in uiteenlopende muzikale universa. Die breedte wordt bepalend voor Cappella Amsterdam.

Dirigent Daniel Reuss

1970 Oprichting door Jan Boeke; focus op Sweelinck en Nederlandse vocale polyfonie.

1990 Daniel Reuss treedt aan als artistiek leider. Begin van de professionalisering en repertoireverbreding.

1998 Edison Klassiek voor de opname van Tan Duns Marco Polo met het Radio Kamerorkest.

2009 Diapason d’Or voor Lux Aeterna (Ligeti/Heppener); VSCD Klassieke Muziekprijs als klein ensemble.

2010 Grammy-nominatie voor opname van Franck Martins Golgotha met het Estlands Philharmonisch Kamerkoor.

2016 Fonds Podiumkunsten wijst subsidieaanvraag af. Bijna een half miljoen per jaar valt weg. Het koor vecht door.

2020 Fonds Podiumkunsten kent meerjarige subsidie toe van 700.000 euro per jaar.

2024 Edison Klassiek Publieksprijs voor Missa Sancti Georgii (Herman Finkers) met Holland Baroque.

Onder Reuss’ leiding professionaliseert het koor in hoog tempo. Het ensemble groeit uit tot een volledig professioneel kamerkoor van zo’n vijfentwintig zangers. Het repertoire verbreedde aanzienlijk: naast renaissance en barok komen ook romantisch en hedendaags repertoire structureel op het programma. Nederlanders als Ton de Leeuw, Robert Heppener, Klaas de Vries en Peter Schat, maar ook buitenlandse componisten als Arvo Pärt, Leoš Janáček en György Ligeti, worden vaste namen in de programmering. Cappella Amsterdam positioneert zich zo als een flexibel kamerkoor met een uitzonderlijk breed historisch en stilistisch bereik: onderscheidend van zowel gespecialiseerde oude-muziekensembles als van de meer traditionele koorprogrammering.

Internationale uitnodigingen volgen: La Folle Journée in Nantes, Settembre Musica in Turijn, Ars Musica in Brussel. Opnames voor harmonia mundi worden met prijzen overladen. In 2003 en 2006 is Reuss tevens chef-dirigent van het RIAS Kammerchor in Berlijn. In 2006 wordt hij door Pierre Boulez persoonlijk uitgenodigd voor de Lucerne Festival Academy. In 2016 ontvangt hij de Ridderorde van de Nederlandse Leeuw.

Oude foto van Cappella Amsterdam

2016: een donderslag bij heldere hemel

In augustus 2016 volgt een schok die niemand had zien aankomen. Het Fonds Podiumkunsten wijst de subsidieaanvraag van Cappella Amsterdam af voor de periode 2017–2020. Het gaat om bijna een half miljoen euro per jaar: het verschil tussen voortbestaan en opheffing.

“Het kwam als een donderslag bij heldere hemel aan, bij iedereen, want het koor staat heel goed aangeschreven, ook internationaal. Ze maken mooie programma’s, prachtige cd’s.”
— muziekjournalist Guido van Oorschot, Radio 4, augustus 2016

Reuss laat zich in NRC Handelsblad “verrast en verbijsterd” noemen. “Onze aanvraag was goed doortimmerd. De reactie van de commissie van het Amsterdams Fonds voor de Kunst, dat dezelfde aanvraag heeft beoordeeld met dezelfde criteria, was totaal anders, namelijk heel positief. Maar dat gaat om 75.000 euro, dit om 5 ton. En zonder die 5 ton zijn we weg.”

De redenering van het Fonds Podiumkunsten wekt bij velen afgrijzen. Het fonds beoordeelde “geen reputaties, maar plannen”, en achtte het ondernemerschap van Cappella Amsterdam “zwak”. Dat terwijl het Amsterdams Fonds voor de Kunst, dat dezelfde aanvraag beoordeelde, tot een diametraal andere conclusie was gekomen en het ensemble zakelijk kundig geleid achtte. De tegenstelling is wrang: hetzelfde koor, dezelfde documenten, tegengestelde oordelen.

Het bezwaar dat het koor indient, leidt in april 2017 tot een gedeeltelijke herziening van het besluit, maar niet van de uitkomst. De afwijzing blijft staan voor de volledige periode 2017–2020.

Wat de muziekwereld ervan vond

“Verdrietig is het land waar Cappella Amsterdam, goed voor kritieken met vier en vijf ballen, cd’s die meervoudig in de prijzen vielen, toch nul euro steun krijgt.”
-NRC Handelsblad, augustus 2016

“Artistieke kwaliteit lijkt nu definitief ondergeschikt aan ondernemerschap. De ensemblecultuur krijgt, net als de jazz in Nederland, wéér een klap.”
-Merlijn Kerkhof, muziekcriticus

“Biedt een in jaren opgebouwde reputatie geen veel grotere garantie op artistieke kwaliteit dan een ‘plan’? Reputatie is het resultaat van jarenlang bewezen kwaliteit.”
-Klaas Stok, dirigent Groot Omroepkoor

“Cappella Amsterdam is een broedplaats voor gedurfde producties. Het afkappen van een van de toppers in de korenwereld raakt het hele veld.”
-Donemus, uitgever hedendaagse muziek

De Nederlandse Associatie voor Podiumkunsten (NAPK) spreekt van een systeem dat “geen goede borging biedt aan een ervaren middenveld dat in continuïteit opereert.” Cappella Amsterdam staat naast Orkater en Korzo als voorbeeld van instellingen die buiten de boot zijn gevallen. Niet vanwege artistieke tekortkomingen, maar vanwege hoe ze scoren op beleidsmatige criteria.

De jaren van de doorstart en groei

Gelukkig en natuurlijk gaat het koor niet ten onder. Met steun van particuliere donateurs, andere fondsen en trouw publiek weet Cappella Amsterdam de activiteiten voort te zetten. De crisis inspireert tot artistieke vrijmoedigheid. Gewaagde producties worden gemaakt. Het koor begint te experimenteren, ook met podia en contexten buiten de concertzaal. Denk aan De Langste Nacht, waarin oude koormuziek het podium deelt met elektronische muziek en een paardenzweep. 

In deze periode gaf Cappella Amsterdam het artistiek leiderschap aan een nieuwe generatie dirigenten. Verschillende jonge talenten kregen carte blanche: de vrijheid om een eigen avondvullend programma samen te stellen en te dirigeren. Het was een gebaar van vertrouwen, maar ook een artistieke investering in de toekomst van de wereld van koormuziek.

Een van de eersten was Lodewijk van der Ree (1986), die in 2019 de kans kreeg een volledig eigen programma samen te stellen. Van der Ree had zich eerder al bewezen als dirigent van Consensus Vocalis en was in datzelfde jaar winnaar van de Kersjesprijs, de Nederlandse directieprijs voor jonge koordirigenten. De jury omschreef hem als “een bevlogen dirigent, met een intelligente benadering van de partituur, een heldere slag en het vermogen een koor mee te slepen in zijn visie.” Zijn carte blanche bij Cappella Amsterdam, getiteld Time and the Bell, draaide om ruimte en tijd als muzikale en filosofische thema’s: een programma dat de grenzen van de gangbare koorconcertprogrammering bewust opzocht.

De meest hechte samenwerking groeide echter met de Letse dirigente Krista Audere (1989). Audere studeerde aan het Conservatorium van Riga, waarna ze haar opleiding koordirectie voortzette in Amsterdam en Stuttgart. In 2019 gaf Reuss, die ze haar mentor noemt, haar voor het eerst carte blanche bij Cappella Amsterdam. Na die succesvolle samenwerking volgden er meer. In oktober 2021 won Audere in Stockholm de Eric Ericson Award, de meest prestigieuze internationale competitie voor koordirigenten, die slechts eens per drie jaar wordt uitgereikt. De jury prees haar voor haar “uitstekende energie en dynamische poëtische kwaliteit” en haar vermogen om zangers te inspireren en mee te nemen in haar muzikale visie.

In 2028 volgt Audere Daniel Reuss op als artistiek leider en chef-dirigent van Cappella Amsterdam. Daarmee kiest het ensemble niet voor een breuk met het verleden, maar voor een nieuwe artistieke generatie die zich de afgelopen jaren binnen het koor heeft ontwikkeld.

In 2020 volgt dan erkenning. Het Fonds Podiumkunsten kent een meerjarige subsidie toe. Ditmaal 700.000 euro per jaar, meer dan gevraagde 571.670 euro. Het fonds omschrijft Cappella Amsterdam als een ensemble dat “zichzelf opnieuw heeft uitgevonden.” De oorspronkelijkheid van de programma’s en de gewaagde samenwerkingen worden nu als sterkte aangeduid. 

“Cappella Amsterdam heeft zichzelf in de afgelopen periode opnieuw uitgevonden. Dat blijkt onder meer uit de gewaagde samenwerkingen die het koor is aangegaan.”
— Fonds Podiumkunsten, toelichting subsidietoekenning 2020

De klank van gemeenschap

Wat Cappella Amsterdam uiteindelijk onderscheidt, is niet alleen de kwaliteit van uitvoering, dat vakmanschap is onomstreden, maar de menselijke textuur van het ensemble. Zangers blijven lang, groeien samen, muzikaal en persoonlijk. Het “familiegevoel” wordt consequent benadrukt wanneer zijzelf over het koor spreken. Die verbondenheid is hoorbaar: critici noemen de homogene, warme klank als een van de meest herkenbare kenmerken van het ensemble. De rijkdom aan stemkleuren die naar die klank leidt, is niet mechanisch bereikbaar, want ze vereist vertrouwen tussen de stemmen.

In recente jaren is die gemeenschapsgedachte ook artistiek programmatisch geworden. Cappella Amsterdam zoekt actief naar nieuwe ontmoetingen: met nieuwe luisteraars, met jonge makers, in contexten waar koormuziek niet vanzelfsprekend is. De samenwerking met Zero Dance Theatre is hier een sprekend voorbeeld van. In de productie Les Noces, Stravinsky’s compromisloze compositie over huwelijk en gemeenschap, ontmoet de rauwe kracht van vocale muziek de fysieke, gelaagde bewegingstaal van choreograaf Denden Karadeniz, diep geworteld in urban dans en hedendaagse technieken. Koormuziek die niet alleen klinkt, maar ook beweegt, en daarmee een nieuw publiek bereikt. Educatieve trajecten, participatieve projecten en dit soort kunstgrensoverschrijdende samenwerkingen zijn niet randprogrammering maar kernidentiteit geworden.

Op weg naar de eerste eeuw

Vijftig jaar na de eerste Sweelinck-repetitie staat Cappella Amsterdam voor dezelfde fundamentele vraag als bij de oprichting: hoe houd je koormuziek levend? Het antwoord dat het ensemble geeft, is consistent, zelfs door de crises heen: door haar telkens opnieuw te bevragen. De canon verdient onderhoud, zeker. Maar ze vraagt ook naar nieuwe stemmen, nieuwe contexten en nieuwe luisteraars.

De kracht van het koor schuilt in die bereidheid tot heruitvinding. Niet als modeterm, maar als praktijk. Van Sweelinck naar Pärt, van de zolderkamer naar het internationale podium, van subsidiecrisis naar herboren zelfvertrouwen: Cappella Amsterdam is al vijftig jaar een koor in beweging. Stevig verankerd in vakmanschap, maar voortdurend nieuwsgierig naar wat koormuziek vandaag kan zijn, en voor wie zij klinkt.

Het verhaal is niet voltooid. Elk nieuw seizoen is een nieuwe ademhaling in een langer muzikaal verhaal. Van dirigent naar dirigent, van zanger naar zanger, van generatie naar generatie luisteraars.