Choral works by Ton de Leeuw, Klaas de Vries and Hans Koolmees
Cappella Amsterdam & Doelenensemble o.l.v. Daniel Reuss
Opgenomen op 18 en 19 mei 2000 en 25 mei 1999
Opnamelocatie: Waalse Kerk, Amsterdam, Maria Minor Church, Utrecht
Productie: Muziekgroep Nederland
Techniek: Peter ArtsQ Disc 97043
TOELICHTING
Meer dan in enig ander muzikaal genre realiseerde Ton de Leeuw (1926-1996) in zijn koorwerken een schakel tussen avondland en morgenland, tussen Westers en Oosters denken. De vijfdelige Koorwerken van Ton de Leeuw, Elégie pour les villes détruites (Elegie voor Klaas de Vries en Hans Koolmees verwoeste steden) voor gemengd zestien - stemmig koor a capella is De Leeuws laatste koorwerk. Onder invloed van het onderwerp is het ook één van De Leeuws meest dramatische werken geworden, op een onderhuidse, verinnerlijkte manier. De vijf delen van de Elégie zijn gezet op geestelijke teksten uit de bijbelboeken van de profeten Jeremia en Jesaja en een zevental psalmteksten, waarin steeds in wijdere of engere zin de Verwoesting van Jeruzalem centraal staat. Door die tekstkeuze worden actualiteit en tijdloosheid organisch verbonden. Niet alleen tekstueel en muzikaal, maar ook feitelijk is het 'tijdloze' van de verwoesting van Jeruzalem hier een allegorie voor de voortdurende actualiteit van oorlogsrampen. De Leeuw expliciteert die actualiteit door het koor in het derde deel fluisterend de namen van getroffen steden als Hirosjima en Beiroet te laten aanroepen. Inhoudelijk liggen de vijf delen in elkaars verlengde, overigens zonder ook muzikaal direct verbonden te zijn. Van een broze, bange aanroep (1) intensiveert het voorgevoel zich in angst voor de naderende verwoesting (2), die na een beschrijving van de verwoesting (3), uitmondt van klacht (4) in gebed (5).
Ondanks het zwarte thema gaat De Leeuw een dienstbare klankschoonheid niet uit de weg. In het eerste deel rust een etherische aanroep op een donker klankfundament, en gaat een roep om bekommernis vooraf aan schurend dissonant getoonzette verlatingsgevoelens. Onrustbarendheid, broeiende angst en groeiende agitatie overheersen het tweede deel, waaraan wordtbijgedragen door het gebruik van 'zangtonen met lucht' en vocale glissandi.
Het zestienstemmige derde deel vormt zowel structureel als inhoudelijk het hart van de Elégie. Een panisch overkaatsen van stedennamen en verwijten barst uit in een exclamatie, dikt in tot een gefluisterd verwijt en stolt dan in gebed. Het Miserere (4) sluit daarop aan in een traag voortschrijdende, aanvankelijk aan "' het Gregoriaans herinnerende muziek. Het intieme slotdeel omvat een per stemgroep apart gezongen belijdenis, waarbij ontzag voor de Goddelijke macht tot op het laatst hoorbaar blijft in de pulserende microfuga van de sopranen waarmee de Elégie besluit. Op het eerste gehoor lijkt De Leeuws voor veel van zijn werken zo wezenlijke interesse voor de filosofie van het Oosten ten opzichte van die van het Westen in de rituele sfeer die de Elégie onmiskenbaar ademt, geen doorslaggevende rol te spelen. Toch staat ook dit werk geenszins los van De Leeuws wereldbeschouwing en engagement. Niet alleen klankkleur, structuur en expressie, ook de thematische koppeling van heden en verleden kunnen worden gezien als een uitvloeisel van De Leeuws voortdurende queeste naar een symbiose tussen het stoffelijke en het niet stoffelijke, naar een muziek waarin ethiek en esthetiek elkaar niet uitsluiten.
In zijn opera A King, riding (1996) verwerkte componist Klaas de Vries (*1944) drie gedichten van de Portugese dichter Fernando Pessoa (1888-1935). In die context moet ook het zesstemmige Abdicação worden geplaatst. De inhoud van Pessoa's gedicht sluit in ruimere, associatieve zin aan bij de The Waves van Virginia Woolf, de inspiratiebron voor A King, riding. Abdicação ('Abdicatie') beschrijft de overpeinzingen van een koning die zijn aardse bezittingen aflegt en zich overgeeft aan de duisternis van de nacht. Binnen A King, riding zijn de Pessoa-zettingen een soort rustpunten die de handeling doorkruisen. De Vries vergelijkt ze zelf met de koralen in een Bach-passie en net als een koraal kan ook Abdicação als zelfstandig werk voor koor a capelIa worden uitgevoerd. In aansluiting op de nachtelijke, reflectieve strekking van Pessoa's verzen is Abdicação met zijn sonore, haast kerkelijke sfeer een introvert werk, waarvan de eigentijdse harmonieën zeer geraffineerd polyfoon op elkaar ingrijpen.
Een primitief en onherbergzaam muzikaal landschap roept componist Hans Koolmees (*1959), oud-leerlingvan Klaas de Vries, op in Aed Mac Ainmirech (1990/1996) voor vierstemmig koor, viool, altviool, trombone en slagwerk. Zoekend naar een onalledaagse Engelstalige tekst vond Koolmees inspiratie in vroegmiddeleeuwse Ierse mythen over de confrontatie tussen de Kelten, de eerste Christenen en de Britten. In de eigen woorden van de componist beschrijft Aed Mac Ainmirech de zoektocht naar een verloren, heidense puurheid.
Dat 'graalmotief' wordt tastbaar gemaakt in een muzikale schrijfwijze die wars is van een gepolijste Westerse esthetiek, en daar een kale klank van open intervallen, rudimentaire motieven, spreken, roepen en reciteren tegenoverstelt. Koolmees schept een eenheid tussen de delen door het gebruik van diatonische, direct aansprekende en beklijvende, terugkerende ritmische en melodische motieven.
De ruwe en ruige introductie 'Come and dance with me in Ireland', waarmee het werk ook besluit, omcirkelt de middendelen als een primitieve dans. 'Adzed-Head' opentmeteen waarschuwend signaalmotief van de trombone, waarna ook het onrustig zingende koor de tussen vrees en woede meanderende reactie van de Kelten op de Christenen voelbaar maakt. 'The Ulster cycle' (3) is een trilogie van korte deeltjes (The Brown Bull; The armies enter Cuailinge; Before the Last BattIe) waarin de feitelijke strijd tussen Kelten en de Britten centraal staat. Als reactie op het krijgsgeweld is de verstilde klaagzang'Tara' een eilandje van onverwachte, ongerepte klank- schoonheid.
Ook in Koolmees' driedelige Posjlost (1995) voor gemengd koor, twee klarinetten, contrabas en slagwerk is sprake van een uitgesproken kernachtige ritmiek, en worden de stemmen van de koorzangers niet alleen voorreguliere zangtonen ingezet. Fluister-, roep- en spraakklanken zijn in het eerste deel het vocaal equivalent van de percussieklanken die door tom- toms, woodblock, koebellen en marimba en een veelal opruiend ingezette contrabas worden opgeroepen.
De titel Posjlost refereert aan een mix van namaak en wansmaak die kenmerkend is voor Tsjitsjikov, de duivelse hoofdpersoon van Gogols Dode zielen. Hoewel alle teksten in Posjlost zijn ontleend aan Gogol (Dode Zielen, het toneelstuk Revisor ,en het jeugdgedicht Hanz Kjoechelgarten) staan de drie ironisch getinte fragmenten niet in verband tot elkaar. De surrealistische indruk die daardoor wordt gewekt, versterkt Koolmees welbewust in zijn muziek, die een evenzeer onwerkelijke sfeer ademt.
Posjlost schetst in het eerste deel een nachtmerrie over pikzwarte reuzenratten (1) en beschrijft aansluitend hoe een geraamte zich het stof van de botten veegt (2). Niet alleen tekstueel, ook muzikaal wordt het tweede deel steeds onwerkelijker van toon in de bizarre beschrijving van koerende tortelduiven boven het graf. De sobere begeleiding van vegen en kloppen mondt uit in een pulserend, spookachtig klarinetmotief.
In het derde deel herneemt Koolmees in navolging van Gogol de toon van ironie uit het eerste deel.
De uit de context gelichte tekst ("Kijk, daar loopt PaveI Ivanovitsj Tsjitsjikov!") is muzikaal aan het openingsdeel verwant. Stemgroepen roddelen in een hecht polyfoon weefsel en besluiten met een sissend en suggestief fluisteren, dat herinnert aan de gothic sfeer van het middendeel.
Mischa Spel