Nikolay Obukhov, Alexander Rastakatow & Vladimir Tarnopolski

€ 10.00   

Bestellen

Nikolay Obukhov, Alexander Raskatov en Vladimir Tarnopolski

- CD 18 uit de verzamelbox:
Schoenberg Ensemble Edition -

Nikolay Obukhov (1892-1954)
Four Balmont Songs (1913)
(arr. Elmer Schönberger, 1994)


Alexander Raskatov (1953)
The Last Freedom (2001)


Vladimir Tarnopolski (1955)
Foucault's Pendulum (2004)


Four Balmont Songs, The Last Freedom
Opgenomen op 9 januari 2002
Opnamelocatie: Concertzaal Tilburg


Foucault's Pendulum
Opgenomen op 11 november 2004
Opnamelocatie: Concertgebouw Amsterdam
KTC 9000- CD 18

Libera me

Foucault's Pendulum

Funebre VI

Lacrimosa

Funebre IV

Mizmor

Funebre IV

Sosvjatymi upokoj Khriste

Funebre III

Requiem aeternam

Funebre II

Elokhaj

Funebre I

IV Berceuse of a Blessed

III The Blood!

II Vainly do not wait

I I will wait for Thee

TOELICHTING

Nikolaj Oboechov

bewerking Elmer Schönberger

Vier Balmont-liederen

De Russische componist Nikolaj Oboechov (1892-1954) studeerde aan het conservatorium van St. Peters¬burg bij Maximiliaan Steinberg en Nikolaj Tsjerepnin en emigreerde in 1918 naar Parijs. Hij nam compositie- en orkestratielessen bij Ravel en wijdde zich vervolgens in de marge van het muziekleven aan zijn levenswerk: het tot op de dag van vandaag grotendeels onuitgevoerd gebleven Livre de Vie, een ruim achthonderd bladzijden tellende compositie voor stemmen, vierhandig piano en croix sonore, een door de componist zelf ontwikkelde voorloper van de ondes martenot. Le Livre de Viekan in zowel muzikale als filosofische zin beschouwd worden als de uiterste consequentie van het werk van Oboechovs landgenoot Skrjabin. Wat het onvoltooid gebleven Mysterium voor Skrjabin is, is Le Livre de Vie voor Oboechov: niet zomaar een compositie, maar een openbaring in de vorm van een muzikaal ritueel, bestemd voor uitvoering in een daartoe speciaal te ontwerpen tempel. Net als Skrjabin ging het Oboechov om extase, om de zogeheten isstoeple¬nije van de Russische mystici.

Van de vier oorspronkelijk voor zangstem en piano geschreven liederen op gedichten van Konstantin Balmont staan de eerste twee (uit 1913) nog het dichtst bij Skrjabin. De vocale stijl is conventioneler dan de instrumentale taal met zijn gealtereerde akkoorden en tritonus-bassen. Hoewel ook de laterepoèmes lithurgiques (1918) zich idiomatisch op (de late) Skrjabin laten terugvoeren, blikken zij al duidelijk vooruit op Le Livre de Vie. In de vocale partij zijn alle kenmerken van het latere werk aanwezig. Behalve 'gewoon' gezongen wordt er geschreeuwd (avec un cri aigu; râlant et poussant un cri perçant), gesnikt (sanglotant, avec extase), gezucht, gesteund, falset gezongen, gefloten en van de ene naar de andere toon gegleden. Dit vocale glissando kan gezien worden als symbool voor de doorbreking van de traditionele, twaalf¬tonige afbakening van een in wezen onbe¬grensde klankwereld.

Skrjabin-biograaf Boris de Schloezer, die zich Oboechov uit Petersburg herinnerde als een bleke jongeman met een starre blik die een soort 'in winterslaap verkerende' muziek componeerde, schre¬ef over deze liederen: 'De donkere en geheimzinnige harts¬tocht, de uitzonderlijke geëxalteerdheid van deze kunst die door sommigen als abnormaal, ziekelijk, zelfs hysterisch is geken¬schetst, gunt ons een blik in een nieuwe wereld: een nachtelijke wereld van huiveringwekkende en schrikbarende, soms ook zonderling-zoete visioenen, die zich onttrekt aan ons oordeel, onze maatstaven en in het algemeen aan het houvast van onze logica.'

Van de vier liederen overschrijden vooral de beide poèmes lithurgiques in hun oorspronkelijke gedaante geregeld de grenzen van het pianistisch uitvoerbare en suggereren vanwege extreme liggingen, extreme dynamiek en extreme voor¬drachtsaanwijzingen iets veel kleurrijkers dan louter pianoklanken. In zijn instrumentatie voor een ensemble van negentien musici heeft Elmer Schönberger een poging gedaan de muziek terug te geven aan het weidse klankvisioen waaraan zij ontsproten moet zijn. Hij bracht al doende niet alleen Oboechovs verwantschap met Skrjabin aan de muzikale oppervlakte, maar sloeg in bepaalde passages, onverwacht, ook een brug naar de exuberante klanken van die andere vertolker van religieuze extase, Olivier Messiaen.

Aleksandr Raskatov

The Last Freedom

The Last Freedom (2001) is een wereldlijk requiem van de in Moskou geboren emigré Aleksandr Raskatov, componist van een oeuvre gebaseerd op klankschoonheid en 'gesonoriseerde stilte' maar ook actief pleitbezorger van de Russische futuristen uit de jaren twintig, van wie hij incompleet overgeleverde werken (zoals het Vioolconcert van Roslavets) reconstrueerde.

The Last Freedom is gebaseerd op Oud-Slavische, Latijnse en Hebreeuwse teksten en op verzen van Raskatovs tijd- en landgenoot Dmitri Prigov. Raskatov: 'Als jood kon ik er niet omheen teksten uit de Kaddish te gebruiken, als Rus heb ik frasen uit de orthodoxe rite overgenomen, en aangezien ik tegenwoordig in het Westen woon, lag het voor de hand ook Latijnse teksten uit de katholieke requiemmis te verwerken. Ik ben sterk voor oecumene en werd geïnspireerd door godshuizen in Jeruzalem en Córdoba, die onder één dak zowel ruimte bieden aan joden, katholieken en moslims.' (Het werk vertoont hierin een opmerkelijke overeenkomst met de al even 'oecumenische' Vierde symfonie van Alfred Schnittke.)

Aan de verzen van Dmitri Prigov ontleende Raskatov 'vooral begrippen als dood, verlies, gemis en vergetelheid. Woorden die door de terreuracties tegen de Verenigde Staten voorgoed een andere lading hebben gekregen.' Raskatov nam de titel van zijn compositie overigens van weer een andere dichter over: Anna Achmatova, die verliefdheid heeft bezongen als het verlies van de laatste vrijheid.

De betekenis van de titel is volgens de componist tweeledig: 'Enerzijds staat deze voor de vrijheid van een overledene, die voorgoed van alle aardse zorgen is verlost. Anderzijds wil ik ermee uitdrukken dat ik als kunstenaar niemand iets verschuldigd ben en vrij ben de muziek te schrijven die ik zelf wil. (...) Muziek is het domein van de vrijheid.'

The Last Freedom bestaat uit vier delen, die elk voorafgegaan worden door een funebre. Deze funebres - in essentie steeds dezelfde muziek in veranderlijke gedaanten - hebben het karakter van bezweringen en zijn gebaseerd op de woorden 'verdwenen' en 'gestorven'. Ook de vier eigenlijke delen zijn, hoewel dynamischer en expansiever, ritueel en statisch van karakter. Elk deel is gebaseerd op een beperkt aantal muzikale bouwstenen, die met behulp van ostinatotechnieken eerder gevarieerd dan ontwikkeld worden en met elkaar contrastrijke combinaties aangaan.

Vladimir Tarnopolski

De slinger van Foucault

De Russische componist Vladimir Tarnopolski werd geboren in Dnepropetrovsk, een destijds voor buitenlanders gesloten stad in het oosten van de Oekraïne. Tegenwoordig is hij coördinator van de afdeling Hedendaagse Muziek op het Tsjaikovski-conservatorium in Moskou en componist van een markant oeuvre dat zich beweegt tussen de polen van, enerzijds, postmoderne theatraliteit en, anderzijds, het streven naar een nieuwe klanktaal aan gene zijde van consonant en dissonant.

Met de titel van het werk dat hij in opdracht van het Schönberg Ensemble componeerde, De slinger van Foucault (2004), verwijst Tarnopolski zowel naar de proef waarmee genoemde natuurkundige in 1851 bewees dat de aarde om zijn as draait, als naar de gelijknamige roman van Umberto Eco. Tarnopolski: 'Voor Eco is de slinger een symbool van stabiliteit in de chaos van het leven. Het universum draait om een as die zelf onbeweeglijk is. Precies zoals in de muziek de aanwezigheid van een vast punt, een centrale as, maakt dat een compositie zich kan ontwikkelen. De grondidee van Eco's werk is dat de orde van het woord, de logos, niet in overeenstemming is met de orde van things and thoughts - van dingen en gedachten. Ondanks alle uiterlijke redelijkheid schuilt er veel irrationaliteit in de wijze waarop de cultuur zich ontwikkelt. Het hedendaagse menselijke bewustzijn is vol vooroordeel en primitiviteit - denk maar aan de popcultuur. Op één punt heeft Eco's werk speciale actualiteit voor Rusland. Namelijk waar het het mechanisme toont dat aan allerlei processen ten grondslag ligt: aan de manier waarop mythen zich in het bewustzijn van de massa nestelen, aan het ontstaan van angsten en verdenkingen, aan de jacht op geheime vijanden en samenzweringen.'

Bij de vertaling van dit idee in muziek dienden enkele sleutelbegrippen de componist als richtsnoer. 'Het eerste is chaosmos, dat voor zover ik weet door Joyce is bedacht. In chaosmos komt de idee van evenwicht tussen organisatie en chaos tot uitdrukking. Het tweede sleutelbegrip is pendulum, slinger. Het staat voor een van mijn favoriete ideeën: de wereld verandert snel maar bepaalde fundamentele wetten zijn onveranderlijk.'

Tarnopolski's streven is erop gericht de tegenstellingen die de muziek in de loop van de vorige eeuw zijn gaan beheersen te vergeten. 'Ze doen er niet meer toe. Consonant versus dissonant, toon versus ruis, instrumentale muziek tegenover elektronische muziek, het is een gepasseerd station. Ik streef naar een soundmagma en probeer, uitgaande van elementaire gegevens, klankstructuren te bouwen.'

Nikolay Obukhov

Four Balmont Songs

The Russian composer Nikolay Obukhov (1892-1954) studied at the St. Petersburg Conservatory with Maximilian Steinberg and Nikolay Cherepnin, and emigrated to Paris in 1918. He followed composition and orchestration lessons there with Ravel and, existing on the margins of musical life, dedicated himself to his life's work: Le Livre de Vie, an 800-plus page composition for voices, piano quatre mains and 'croix sonore', an invention of the composer and precursor of the ondes martenot. Not surprisingly, this work remains largely unperformed to the present day. Le Livre de Vie can be seen, both musically and philosophically, as the work of Obukhov's compatriot Skryabin taken to the extreme. What the unfinished Mysterium was to Scriabin, Le Livre de Vie was likewise to Obukhov: not just a composition, but a revelation in the form of a musical ritual, intended for performance in a temple specially designed for this purpose. As with Skryabin, Obukhov's focus was on ecstasy, the isstupleniye of the Russian mystics.

Of the four songs to texts by Konstantin Balmont (originally for voice and piano), the first two (from 1913) show the most kinship with Skryabin. The vocal style is more conventional than the instrumental language, with its altered chords and tritone-dominated bass lines. Although the later poèmes lithurgiques (1918) also relate idiomatically to late Skryabin, they give a very clear signal of what is to come in Le Livre de Vie. All the trademarks of his later work are evident in the vocal part. In addition to conventional singing, the performer screams (with a piercing cry, groaning and shrieking), wails (crying with ecstasy), sighs, moans, whistles, sings in falsetto and glides from one note to the other. This vocal glissando can be regarded as the symbol of the breaching of the traditional limitations of twelve tones, becoming what amounts to an infinite sound pallet.

Skryabin's biographer Boris de Schloezer recalled Obukhov in St. Petersburg as a pale young man with a fixed gaze, whose music existed in a sort of 'state of hibernation'. Of these songs he wrote: 'The dark and mysterious passion, the exceptional exaltedness of this art seen by some as abnormal, perverse, even hysterical, offers us a glimpse of a new world: a nocturnal world of spine-tingling and fearsome, but at times also strangely sweet visions; a world that is not subject to our judgment, our standards or to any general foothold in our logic.'

The two poèmes lithurgiques in particular exceed, in their original scoring, the limits of normal pianistic capabilities. The extremities of register, dynamics and performance indications suggest something much more colourful than simply a piano, and in his instrumental arrangement for an ensemble of nineteen players Elmer Schönberger has attempted to imbue the music with the vast visions of sound Obukhov may have had in mind. In doing so he not only brings Obukhov's kinship with Skryabin to the surface, but also, unexpectedly, in certain passages bridges Obukhov's music to the exuberant sound of another exponent of religious ecstasy, Olivier Messiaen.

Cappella Brochure 2017 2018

Bekijk onze seizoensbrochure 2017-2018!

Klik hier

Ontvang nieuws over Cappella Amsterdam